dsc07089

Derdenbescherming bij beschermingsbewind – wanneer behoort iemand het bewind te kennen?

Wanneer iemand onder bewind staat is hij niet langer gerechtigd om zelfstandig over zijn goederen (vermogen) te beschikken. Verricht de onder bewind gestelde persoon toch rechtshandelingen, dan zijn deze in beginsel ongeldig (art. 1:438 jo. 1:439 BW). Deze ongeldigheid kan echter alleen aan de andere partij worden tegengeworpen als deze het bewind kende of had behoren te kennen.

Een bewindvoerder stelde hierover de volgende vraag:

‘’Ik heb een cliënt die implantaten heeft laten plaatsen bij de tandarts. Hij was in de veronderstelling dat dit vergoed zou worden (?). Gevolg…een enorme rekening! Had de tandarts ook vooraf het centraal curatele en bewindregister moeten checken? Het is geen standaard (noodzakelijke) behandeling. Maar kan dit hem tegen geworpen worden? Tot nu toe zijn de meningen erg verdeeld.’’

Als bewindvoerder zou ik mij op het standpunt stellen dat de tandarts het bewind had behoren te kennen vanwege de inschrijving in het bewind-register. Inschrijving in het bewind-register zorgt er in beginsel voor dat de tandarts zich niet kan beroepen op derdenbescherming. De ongeldigheid van de rechtshandeling kan de tandarts worden tegengeworpen als hij het bewind kende of het had behoren te kennen (art. 1:439 lid 1 BW). Als de tandarts van mening is dat hij ondanks de inschrijving het bewind niet kende of had behoren te kennen is het aan hém om dat te bewijzen. Niet relevant is of hij daadwerkelijk in het register heeft gekeken nu de vraag is of hij het bewind had behoren te kennen.

Bovenstaand uitgangspunt vindt steun in de overwegingen van het Hof Arnhem-Leeuwarden dat als volgt overweegt: ‘Aangezien inschrijving van een bewind in het register ertoe kan leiden dat de wederpartij het bewind had behoren te kennen, is de meerwaarde van de inschrijving in het register erin gelegen dat de bewindvoerder de ongeldigheid van een door de rechthebbende verrichte rechtshandeling aan de wederpartij kan tegenwerpen.’ (ECLI:NL:GHARL:2015:7696, r.o. 3.6).

Ondanks bovenstaande uitspraak zijn niet alle rechters even helder over het punt van ‘behoren te kennen’ De rechtbank Limburg zegt in een recent vonnis (waarbij het bewind overigens niet in het register was ingeschreven) dat het ‘behoren te kennen’ met een objectieve maatstaf gemeten dient te worden: (ECLI:NL:RBLIM:2017:1147, r.o. 4.4). Wat deze objectieve maatstaf dan zou zijn wordt door deze rechter niet verduidelijkt.

Het vonnis van de rechtbank Amsterdam waaruit blijkt dat een deurwaarder niet verplicht is om kennis te nemen van het bewind-register voor het verrichten van een executiehandeling is in die zin anders dan dit geval, nu het in die zaak ging om een executiegeschil en er geen enkele aanwijzingen waren dat de geëxecuteerde onder bewind stond. (ECLI:NL:RBAMS:2016:2020, r.o. 4.4). Waren die aanwijzingen er wel geweest, dan had de betreffende deurwaarder het bewind behoren te kennen omdat het was ingeschreven in het register.

Kortom, zodra er een geringe aanwijzing is dat de betrokkene onder bewind staat, versterkt dat de overtuiging dat de andere partij – in dit geval de tandarts – het bewind had behoren te kennen. Vereiste is dan natuurlijk wel dat het bewind in het register is ingeschreven. Wanneer iemand het betreffende bewind kende of had behoren te kennen, kan hem de ongeldigheid van de rechtshandeling met succes worden tegengeworpen.